Mijn kleine ware kerkgeschiedenis

MaranathakerkDe dominee wachtte even. Ik brak het pepermuntje eerst in tweeën. Dan moest je flink kracht zetten, anders lukte het niet. En de helften dan weer in tweeën. De scherpe randen van het breukvlak drukten in mijn handpalmen. Het kon alleen met King; Wilhelminapepermunten waren te dik. Ik stak een kwart pepermuntje in mijn mond en zette de stopwatch op mijn horloge aan om te timen wanneer ik het tweede stukje kon nemen. Over twintig minuten zou ik mijn tweede pepermuntje krijgen, tenzij de buren eerder een Fruitella of een Mentos doorgaven. Ik sloeg mijn psalmboekje open en zocht op waar ik was gebleven in het boek der Koningen. De preek kon beginnen.

Ik heb er de hele Bijbel gelezen, wel zes keer. Ik kom niet vaak meer in de Maranathakerk in Spakenburg. Mijn kinderen zijn er laatst geweest, bij hun grootouders. Er is inmiddels een Bijbelklas; een kindernevendienst met een Bijbelverhaal die geen kindernevendienst mag heten. Op zondagavond is de kerk veel leger dan vroeger, voor zover ik me het kan herinneren. Maar de tweede dienst met klassieke preek over de Heidelberger was altijd al een heikel punt in Spakenburg. De vrijgemaakte kerk was en is er de volkskerk; sommige broeders vonden en vinden Studio Sport nu eenmaal belangrijker dan de kerk.

Spakenburg is een bijzonder dorp. De meerderheid van de inwoners is er vrijgemaakt-, christelijk-, Nederlands-, synodaal-, hervormd-, oud- of anderszins gereformeerd. De politiek en de cultuur zijn nauw verweven met godsdienst. De gemeenteraad is overwegend confessioneel; de ChristenUnie is de grootste partij en levert de burgemeester, de bibliotheek is er ‘christelijk-openbaar’, scholen zijn vrijwel allemaal christelijk en het zwembad is op zondag dicht. De vrijgemaakt-gereformeerde kerk is de grootste denominatie, met maar liefst vijf kerken. Daarmee is het ook een van de grootste plaatselijke concentraties binnen het kerkverband.

Ik ging op zondag twee keer naar de kerk en door de week naar catechisatie, naar de knapenvereniging ‘Jefta’ — zo heetten we omdat we die wel stoer vonden — en naar de Groen van Prinstererschool, waar ook veel vriendjes uit de buurt naar toe gingen. Alles gelardeerd met het Spakenburgse dialect waarin ik afwisselend voor ‘studie’ en ‘kakker’ werd uitgemaakt. Leren vonden veel Spakenburgers maar onzin; vooral meisjes vonden het op hun zestiende wel genoeg en gingen werken om voor de uitzet en het huis te sparen. Werkende vrouwen waren daarom weer geen enkel probleem; integendeel. Ook mijn moeder werkte er, zonder dat haar een strobreed in de weg werd gelegd, lang in het onderwijs. Van vrouwenonderdrukking heb ik nooit iets gemerkt.

Pas na mijn twaalfde kwam ik echt in de vrijgemaakte minizuil terecht. Ik ging naar het VWO in Amersfoort. Een enorme leerfabriek waar een ouderwetse schoolleiding met harde hand en een grote doofpot de discipline handhaafde. Ik heb er het beste onderwijs gehad dat in Nederland te krijgen was. Alleen gingen de veelvuldige godsdienstlessen niet over godsdienst, maar over haarkloverijen in de recente kerkgeschiedenis. Bovendien behelsde de ‘gereformeerde identiteit’ afwijzing van de evolutietheorie en het reproductieve systeem van de vrouw. En elke lesdag begon met gebed. Een leraar die op een goede dag elk uur moest bidden, verzuchtte eens: “God, U zult wel denken: ‘Daar heb je hem weer’…” Zo voelde het: geloof als corvee, omdat het moest.

Dat ik er niet van mijn geloof gevallen ben, mag een godswonder heten. Ik was betrokken bij een berucht geval van seksueel misbruik door een docent in de jaren tachtig. Toen de zaak binnen de school bekend werd, probeerde de schoolleiding de zaak met de mantel der liefde te bedekken. Ik moest op het matje komen en voerde gesprekken met de schoolleiding. Ik wist dat er iets goed mis was toen ik frisdrank aangeboden kreeg in plaats van de gebruikelijke mededeling van de strafmaat. De rector vroeg me in het gesprek dat volgde of ik me realiseerde wat ik verkeerd had gedaan en of ik God wel vergeving had gevraagd. Ik was te verbaasd om kwaad te worden. Slachtoffer heb ik me nooit gevoeld; dat was de docent in kwestie gezien zijn verleden volgens mij meer dan ik. Maar een minderjarige een schuldgevoel aanpraten vanuit een religieuze overtuiging vind ik een van de laagste dingen die ik heb meegemaakt. Daar ben ik nog kwaad over.

Zodra ik mijn VWO-diploma op zak had, vertrok ik uit Spakenburg naar Amsterdam. De ouderling die vlak voor mijn afscheid op huisbezoek kwam, vroeg me aan welke universiteit ik ging studeren. Ik ging politicologie doen aan de UvA, omdat je daar vervolgens communicatiewetenschap kon studeren. Tot mijn verbazing vond hij dat een betere keuze dan de gereformeerde VU. Hij hing de theorie van ‘de duivel op kousevoeten’ aan: je kon ook beter Veronica kijken dan de EO, want bij iets heidens zag je tenminste meteen dat het goddeloos was; bij vrijzinnigen of evangelischen wist je nooit welke helft er niet klopte, en zou je makkelijker verleid kunnen worden tot slechte ideeën. Vrijgemaakten denken soms erg radicaal.

In Amsterdam was vrijgemaakt zijn iets totaal anders dan in Spakenburg. Twee kerkjes met nauwelijks vijfhonderd mensen, overlevend op de inzet en het enthousiasme van een kleine, gedreven en geharde groep belijdende gelovigen. Ik deed in de Oosterparkkerk belijdenis bij een dominee met Spakenburgse roots. Ik had die zondagochtend wel een kater. De GSVA ‘Petrus Plancius’ waarvan ik lid werd bij mijn aankomst in Amsterdam had namelijk een nogal innemend karakter. Het was een goede omgeving voor intellectuele en experimentele omzwervingen ver buiten de vrijgemaakte minizuil, die juist in die jaren begon te wankelen. Alle vragen waren mogelijk, maar niet alle antwoorden werden geaccepteerd. Het moest wel ergens over gaan.

De studentenvereniging was ook een perfect functionerende huwelijksmarkt: ik vond er mijn vrouw, Aline, het beste dat me ooit overkomen is. We trouwden op een mooie Pinksterzondag in de Oosterparkkerk, voor God en zijn gemeente, zoals dat zo mooi heet, maar in feite vooral voor de familie. Dat Aline haar eigen naam hield en ik mijn trouwring links droeg in plaats van rechts, vergde al het uiterste van het tolerantievermogen. Samenwonen was gestuit op totaal onbegrip. We hadden, beiden oudste kinderen, ook geen behoefte om goede familierelaties te verstieren. Dat we in Amsterdam relatief veel vrijheid hadden om te doen wat we wilden, betekende nog niet dat we daarom braken met alles wat ‘heilig’ was.

We bleven niet lang vrijgemaakt. Binnen een paar jaar schreef ik mijn afscheidsbrief aan de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk Amsterdam Zuid/West, waarvan ik lid was. ‘Omzien in verwondering’ stond er boven, met een knipoog naar de autobiografie van Annie Romein-Verschoor, een bekende marxistische historica die ik destijds zeer bewonderde. Het zal ook te maken hebben gehad met de oorzaak voor mijn vertrek. Ik was sociaaldemocraat geworden, maar vooral ook vervreemd geraakt van de vrijgemaakte wereld. Die veranderde snel in die jaren onder invloed van Amerikaans evangelicals.

De aanleiding voor mijn vertrek was de veronderstelde wedergeboorte. Niet de Kuyperiaanse oplossing voor een netelig theologisch probleem, maar die van onze dominee, die inmiddels liever voorganger wilde heten. Religieuze ervaringen in de Verenigde Staten en de vastlopende vrijgemaakte zuil leidden tot een voedingsbodem voor radicale ideeën over modernisering. Alles moest anders. Uit Schilders erfenis bleef alleen de gedrevenheid over; de rest verdween om ruimte te maken voor de ervaring van de Geest. Daar hoorde bij dat je een moment van persoonlijke bekering in je leven moest kunnen aanwijzen. Maar die eis werd nooit uitgesproken: alleen verondersteld.

Na een goed gesprek met mijn wijze ouderling hakte ik de knoop door: dit was niet mijn kerk. Sterker nog: dit was niet mijn God. Ik liet me in belangrijke beslissingen niet leiden door een Geest die na een gebed duidelijk onderscheid bood tussen de voor- en nadelen die je op een rijtje moest zetten. Mijn Bijbel bestond niet voor de helft uit plukteksten die moesten dienen als illustratie bij geloofsslogans. En Jezus was helemaal niet mijn beste vriend; eerder een Jood uit het jaar nul. Veel mensen zagen de nieuwe beleving van het geloof als een bevrijding van een rationalistisch keurslijf. Ik vond het een individualistisch en fundamentalistisch geloof, dat een nog smallere opvatting van de Bijbel predikte dan het traditionele confessionalisme.

Mijn geloof was juist verbreed. Of misschien wel opgerekt tot het punt waarop het zo dun was geworden dat ik mezelf atheïst vond. Maar hoezeer ik ook probeerde mezelf er van vrij te maken; de godsdienst liet me niet los. Ik ging maar religieuze antropologie studeren. Fascinerend vond ik dat: traditionele kerkdiensten bijwonen en analyseren als ritueel waarin een sociaal-cultureel systeem werd gereproduceerd. De wankelende mini-zuil viel ineens op zijn plaats. Voor Geschiedenis van het Christendom haalde ik fluitend een tien. Ik was een vraagbaak voor nieuwsgierige medestudenten: “Zeg, Jezus en Christus, is dat nou één god, of zijn het er twee?”

“De Geest zuivert de gemeente,” stond er in het kerkblaadje toen ik vertrok. Het maakte mijn vertrek makkelijker, maar niet leuker. De afkondiging van mijn vertrek van de kansel, het klassieke vrijgemaakte excommunicatieritueel, droeg niet bij aan de feestvreugde. In mijn afscheidsbrief stonden een paar kritische opmerkingen over de gemeente. Die had iemand er feilloos uitgelicht ter illustratie van mijn vertrek, tot verdriet van aanwezige familieleden en tot mijn niet geringe verbazing. Mijn afscheidsbrief stond juist vol goede herinneringen, aan mooie gesprekken en een geslaagd maaltijdproject voor de ouderen in de buurt dat tegen mijn zin persé ‘missionair’ moest heten.

De zondagochtend had al lang nieuwe rituelen gekregen. Uitslapen en laat ontbijten bij een klein Schots eetcafé, shoppen in de Bijenkorf, naar een museum, een lezing, film of concertje: het waren zeven vette jaren. Als het zo uitkwam ging ik nog eens naar de kerk, een cantatedienst in de Wester bijvoorbeeld. Bij ons om de hoek huisde in de houten Amstelkerk een kleine hervormde wijkgemeente, waar ik zo nu en dan naar toe ging met protestantse vrienden. Ik hoorde er een ander evangelie dan ik gewend was. De opstanding werd opstandig, armoede een vloek en vrede en gerechtigheid een concrete en urgente politieke eis. Langzaam begon me iets te dagen.

De stap naar een nieuwe kerk deden we pas toen mijn oudste dochter gedoopt werd. De Amstelkerk was opgeheven en samengevoegd met de Oude Kerk: een hoogkerkelijke hervormde gemeente in de oerkerk van Amsterdam. Mensen van onze studentenvereniging waren ons daar naartoe voorgegaan; we kenden ze van onze Bijbelkring. Die ging niet over ons geloof, maar over de Bijbel. Ik leerde er veel over het anti-Joodse Johannesevangelie en het polytheïstische Genesis. Ik vond wat ik lang had gezocht: Bijbel lezen zonder confessionele oogkleppen, mooie muziek en een oprechte poging om er iets van te maken in een diverse gemeenschap van mensen die het ook niet precies weten, en dus bereid zijn te zoeken naar God.

Niet lang geleden kwam ik na jaren weer in de vrijgemaakte kerk die ik verlaten had. Ik organiseerde met Ethiopische vluchtelingen uit de Vluchtflat in de Tituskapel een cultureel festival. Een mooie zaterdag, met op het podium in de kerk dansende mensen in traditionele Afrikaanse dracht, moslims en christenen door elkaar, heerlijk eten — Injera met vlees en bonensaus — en bier. Ik sprak weer eens wat mensen uit mijn vrijgemaakte verleden en voelde daar weinig meer bij dan wat nostalgie. Ik was trots omdat ik niet boos werd en geen wrok meer voelde, wat ik eigenlijk ook weer een beetje kleinzielig vond van mezelf.

Een maand of drie later vonden vijftig vluchtelingen tijdelijk onderdak in de Tituskapel. Ik vond mijn vrijgemaakte ambtgenoten als protestants diaken zonder enige moeite. We bleken hetzelfde te denken over het asiel- en migratiebeleid en vooral over barmhartigheid. Maar de structuren waren nauwelijks veranderd en ook de dubbele standaard was niet verdwenen. Het team van diakenen in de Tituskapel bleek voor het grootste deel te bestaan uit vrouwen. Voor mij volstrekt gewoon en Bijbels. Maar het bleek in de vrijgemaakte kerk officieel nog steeds niet mogelijk om vrouwen te benoemen in het ambt. Daarom konden de vrijgemaakte diakenen ‘naar buiten toe’ niet zo heten:  dat gaf maar gezeur. Ik besefte dat ik nooit meer terug zou kunnen.

Voor mij is een andere kerk de ware geworden. Maar ik zit nog aan alle kanten aan de vrijgemaakte traditie vast. Mijn familie en schoonfamilie zijn grotendeels gereformeerd gebleven; alleen een paar neven en oude vrienden zijn van hun geloof gevallen. Hoewel ik eigenlijk voor seculier openbaar onderwijs ben, gaan mijn kinderen naar een gereformeerde basisschool. Die heet tegenwoordig ‘Bijbelgetrouw’ en de vrijgemaakten zijn er in de minderheid. Ze veranderen snel. Maar ik bewonder ze nog steeds om hun organisatietalent en hun nuchtere doorzettingsvermogen, en om hun ongeëvenaarde ijver om moderniteit en traditie met elkaar te verbinden en te verenigen. Ik zal ze missen als ze er straks niet meer zijn.

Jasper Klapwijk is veertiger en schreef deze zelfreflectie op Kanazondag, in de week van gebed voor de eenheid van christenen, voor de bundel Vrij gemaakt? Dertigers over de erfenis van het leven in een gereformeerde zuil.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s